DRIEKONINGEN 2020
We vieren vandaag het feest van Driekoningen. Maar in het evangelie van Matteüs, dat u zojuist hebt gehoord, gaat het over wijzen en over twee koningen. Matteüs spreekt namelijk over wijzen, hij noemt ze geen koningen, maar wijzen uit het Oosten. Zij zijn geleerden, wetenschappers en wel sterrenkundigen,  die elke morgen, elke avond en elke nacht vol verbazing de met sterren bezaaide hemel bestuderen. En de evangelist noemt ook hun aantal niet. Dat zijn er drie geworden vanwege hun drie gaven: goud, wierook en mirre. En later hebben ze ook namen gekregen: Melchior, Balthasar en Caspar. En Caspar was een zwarte. Toch blijven we spreken over Driekoningen, vanwege hun koninklijke optreden en hun royale gaven. Ik heb daar niets op tegen.

De twee koningen, over wie het wel gaat in het voorgelezen evangelie zijn Herodes en het pasgeboren kind, waarover Herodes met boze bedoelingen bij de wijzen informaties wil inwinnen. Twee koningen die totaal aan elkaar tegengesteld zijn. De een, Herodes, een wereldlijke koning en de ander een hemelse koning. De een koning van een werelds rijk, een wrede tiran en de ander een koning van het rijk van God, een man van vrede. Dat moet wel botsen. En dat wordt door de evangelist in het vervolg van zijn verhaal onthuld.

De wijzen volgen de ster en kloppen aan bij Herodes in Jeruzalem.  Het gaat over de pasgeboren koning van de Joden, dus waar kunnen zij anders terecht dan bij de regerende vorst? Zij vormen een zware delegatie, die wijzen uit het Oosten, met hun gevolg van dienaren en kamelen die met geschenken zijn beladen. Zij krijgen audiëntie.  Herodes schrikt zich een beroerte en roept de hulp in van alle hogepriesters en Schriftgeleerden, die de schriften van kaft tot kaft kennen. Ook dat zijn geleerden, maar zij zijn geen wijzen. Zij lepelen op wat er geschreven staat en dat komt neer op: “In Bethlehem moet je zijn.” Niet in Jeruzalem, in de belangrijkste stad? Nee, in Bethlehem, toentertijd een gehucht, een vlek, dichtgeplakt met krantenpapier. Wat een tegenstelling: Jeruzalem – Bethlehem. En daar, in dat gat, moet je de pasgeboren koning van de Joden zoeken. De ster wijst dan de wijzen de weg, gesteund door het getuigenis van de Joodse geleerden. Maar die Joodse geleerden gaan niet met de wijzen mee naar de aangewezen plaats. De geleerden beschikken over de kennis, maar doen er niets mee. Zij gaan naar huis. Zij zitten onlosmakelijk vastgeklonken aan de traditie van wat geschreven staat en zij ervaren iedere verandering, iedere vernieuwing als een bedreiging. Zulke zijn er ook nu nog.

Wat Matteüs ons vandaag wil zeggen met zijn verhaal over de wijzen uit het oosten is dit: dat God niet alleen de Joden heeft uitverkoren, maar ook alle niet-Joden. Dat God geen onderscheid maakt tussen het ene en het andere volk, dat God niet discrimineert. Dat doen mensen, dat doen wij. Voor God zijn allen gelijk. Hij nodigt allen uit en sluit niemand buiten. Hij houdt van allen en nog wel het meeste van de armen, de kleinen, de kwetsbaren.

Ook Jezus discrimineerde niet. Maar in wat voor wereld leven wij? Vrouwen worden minder waard geacht. Zwarten worden minder waard geacht. Mensen van een andere levenswijze, van een andere godsdienst, van een ander karakter worden gepest, weggewerkt en zelfs omgebracht. Dat deed koning Herodes ook al. Dat doen sindsdien en daarvoor ook de meeste wereldlijke koningen, vorsten en regeringsleiders. Ook op straat gebeurt het met antiracistische leuzen, in de stadions bij sportwedstrijden en zelfs hier en daar in de kerken.  Er is niets nieuws onder de zon.

De wijzen uit het evangelie ontsprongen de dans. Langs een andere weg keerden zij naar hun land terug. Niet de weg terug naar de koning die van plan is de pasgeboren koning te doden. Niet de weg naar de hogepriesters en Schriftgeleerden, die wel de kennis hebben maar daar geen gebruik van maken.

Wij staan in de lijn van de wijzen, wij behoren tot de volkeren die naast de Joden door God werden uitverkoren.

En met diepe gevoelens van aanbidding en dankbaarheid knielen wij met de wijzen vandaag neer bij de kribbe en bieden het kind onze gaven aan. Niets is hem meer welkom dan onze wil hem na te volgen op zijn koninklijke weg van eerbied en gelijke behandeling van alle mensen. Hij heeft állen geschapen naar zijn beeld en gelijkenis. En Hij zag dat het goed was. AMEN.

Leo Wenneker