“Geef ons meer geloof,” vroegen de apostelen. Dat was vlak nadat Jezus gezegd had dat je je broer of zus moet vergeven, als die zevenmaal op een dag tegen je zondigt en zevenmaal naar je terugkeert en zegt: “Ik heb berouw”. Dat vonden ze onmogelijk en ondoenlijk en toen zeiden ze: “Geef ons meer geloof.” En dan zegt Jezus: “Als jullie geloof hadden als een mosterdzaadje (dat is het kleinste zaadje), zouden jullie tegen die moerbeiboom zeggen: “Trek je wortels uit de grond en plant jezelf in de zee” en hij zou jullie gehoorzamen.
Kun je dat geloven? Dat zou wat wezen. Als je ergens anders wilde gaan wonen en je zou tegen je huis zeggen: “Ga daar of daar heen.” Zie wat er dan gebeurt. … Niets. Maar Jezus wil met dat sterke verhaal zeggen dat de kracht van het geloof ongeëvenaard is.

Geloven, daar gaat het om. Tegenwoordig zeggen ze dat dat een privézaak is. Of het wordt gebruikt in zinnen als: “Wie kun je tegenwoordig nog geloven?” of: “Geloof jij die sprookjes nog die in de Bijbel staan met het gehalte van Sneeuwwitje of de Gelaarsde kat?” of:  “Als je zelfs een hoge politicus niet meer kunt geloven, als die een verhaal verzint om zich gewichtig voor te doen en dan later moet bekennen dat hij het verzonnen heeft. Nou, hou dan maar op.” Of een minister die zegt dat we er allemaal op vooruit gaan in de portemonnee, die is toch al zijn geloofwaardigheid kwijt. Wie spreekt nog de waarheid? De beloften die de politici voor de verkiezingen doen: wie gelooft ze nog? Niemand toch? De wereld is vol van leugens, corruptie en bedrog.

Maar geloven in God. Hoe staat het daarmee? In de eerste lezing, uit de profeet Habakuk, roept iemand in nood tot God: “Hoelang moet ik nog roepen, Heer, terwijl Gij maar niet luistert?” Waarom word ik getroffen door een ernstige ziekte? Waarom zie ik mijn kinderen sterven van honger? Waarom vallen de bommen om ons heen en zijn wij in levensgevaar? Waarom leven wij te midden van geweld en verdrukking? Waarom ben ik het slachtoffer van jaloezie en twist in mijn familie? Wat heb ik misdaan? God, waarom? Antwoord mij.

Op dat soort vragen is geen afdoende antwoord. En het antwoord dat Habakuk krijgt voldoet velen niet, dunkt me. Hem wordt namelijk gezegd het visioen duidelijk op te schrijven. Dan kan ieder het lezen en er troost in vinden. Wat is dat visioen? Dat is het visioen van bevrijding in de toekomst. Het visioen van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Het visioen  dat het tranendal waarin wij  nu leven zal veranderen in een land waar alleen maar gelachen zal worden. Daar zal geen dood, geen ziekte, geen aftakeling meer zijn. Daar zal geen haat, geen corruptie, geen oorlog meer zijn. Alleen feest.

Dat visioen hunkert naar zijn vervulling. Al kan het lang duren, geef het wachten niet op, want komen doet het beslist. Het vertelt geen leugen. Hoor je het? Het is geen leugen. Het enige dat geen leugen is. De enige belofte die waar is en waarin je vast kunt geloven. Want het komt uit de mond van God. Vertrouw je het niet, dan hou je het niet.

Wij zijn afhankelijk van Gods Voorzienigheid als de knecht van zijn heer in het evangelie van vandaag. Wij willen niet graag afhankelijk zijn maar zelf de regie over ons leven in handen nemen, tot aan het einde toe, zelfs over de dood willen sommigen de regisseur zijn. De knecht, de dienaar heeft de juiste houding en geeft zich over en vertrouwt erop dat het goed komt. En hij doet wat de heer hem zegt: hem bedienen. Hij houdt zich aan de regels van bovenaf die van God komen, de Tien Geboden. En eenmaal zal de heer de rollen omdraaien en zelf de knecht aan tafel bedienen. Als het zover is.

In het tranendal van nu wordt ons een prachtige toekomst in het vooruitzicht gesteld. Maar het kan wel even duren. Het is ermee als met de landing van de geallieerden in Normandië in juni 1944, dat was het begin van onze bevrijding, maar het duurde nog tot mei 1945, we moesten nog door de hongerwinter heen, tot de bevrijding ook ons hier bereikte.

En daarom is het gebed van de apostelen: “Geef ons meer geloof,” ook ons gebed. AMEN.

Leo Wenneker

Uw knecht
 
Heer, ik ben enkel uw knecht,
een van uw lijfeigen mensen,
een die maar doet recht en slecht
wat u van hem maar oogt wensen.

Wijs me het werk van de dag,
leer me niet verder te vragen,
laat het mijn enig bejag
zijn om mijn Heer te behagen.

Zeg me wat ik heb te doen.
Spaar me opstandige dromen,
en een te groots visioen
waar ik aan toe heb te komen.

Wijs me het wat en het hoe;
geef me het goede vertrouwen,
als ik bezie wat ik doe,
dat het me nooit zal berouwen,

dat U mijn alles bent
en dat U mij zult regeren,
Heer, als een goed instrument,
U en uw Vader ter ere.

Laat wat uw knecht hier dan doet
leiden tot die ongeziene
tafel van overvloed
waar U mij zelf zult bedienen.

Michel van der Plas